homeNascholing

Nascholing

Urine-incontinentie bij mannen en vrouwen

Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2016, nummer 3:80-85

Urine-incontinentie is een veelvoorkomend probleem dat patiënten hindert in het dagelijks leven. De aandoening kan op verschillende manieren worden behandeld, zowel in de eerste als in de tweede lijn. Daarnaast zijn er initiatieven om de incontinentiezorg te verbeteren, zoals het betrekken van wijkverpleegkundigen en praktijkondersteuners bij de incontinentiezorg, ouderen screenen op incontinentie en e-health. Deze nascholing geeft een overzicht van de mogelijkheden.

Leerpunten

  • Urine-incontinentie komt vaak voor en treft meer vrouwen dan mannen.
  • Bij vrouwen komt met name stressincontinentie voor, veroorzaakt door een zwakke bekkenbodem.
  • Bij mannen komt met name urgency incontinentie voor, veroorzaakt door problemen met het uitplassen. De oorzaak daarvan is vaak onduidelijk.
  • Bekkenbodemspieroefeningen of een pessarium is de eerstekeusbehandeling bij stressincontinentie.
  • Blaastraining is de eerstekeusbehandeling bij urgency incontinentie.

Vormen van incontinentie

Urine-incontinentie is iedere vorm van urineverlies, waarbij de patiënt ongewild urine verliest. Er zijn verschillende soorten urine-incontinentie.

Urgency incontinentie

Urgency incontinentie is onwillekeurig urineverlies met een zeer plotseling optredende sterke drang om te plassen. Dit gaat vaak gepaard met frequente mictie (plassen) en nycturie (nachtelijk plassen). Bij urgency incontinentie trekken de spieren van de blaas zich onwillekeurig samen, waardoor het bij aandrang niet lukt om het plassen uit te stellen. Urgency incontinentie kan worden veroorzaakt door aandoeningen van de blaas zelf, zoals blaasstenen of blaasontsteking, maar ook door een obstructie van de blaasuitgang. De oorzaak kan verder neurologisch zijn, zoals multipele sclerose of het caudasyndroom, of het gevolg zijn van een eerdere operatie aan het kleine bekken. Cafeïne kan het onwillekeurig samentrekken van de spieren doen toenemen. Vaak blijft de oorzaak echter onduidelijk. Vanwege het onwillekeurig samentrekken van de blaasspieren spreekt men wel van het overactieve blaassyndroom, maar dit syndroom komt ook voor zonder dat de patiënt incontinent is. Bij sommige patiënten hangt urgency incontinentie samen met een te hoge spanning van de bekkenbodemspieren, wat dan gepaard kan gaan met obstipatie en dyspareunie.

Stressincontinentie

Stressincontinentie is onwillekeurig urineverlies tijdens hoesten, niezen of andere lichamelijke activiteiten die de druk in de buikholte verhogen. Bij drukverhoging in de buikholte schiet het afsluitmechanisme van de blaas tekort. De oorzaak is meestal een zwakke bekkenbodem, maar ook een verminderde afsluiting van de urinebuis door functieverlies van de sluitspier(en) en verminderde slijmvlieskwaliteit kunnen een rol spelen. Bij ouderen is er vaak sprake van een ‘gemengde incontinentie’, een combinatie van stress- en urgency incontinentie.

Overloopincontinentie

Overloopincontinentie is onwillekeurig urineverlies door overvulling van de blaas. De blaas loopt over door de oplopende druk, zonder dat er contracties zijn. De oorzaak kan liggen in een minder of niet-actieve blaasspier of in een obstructie van de blaasuitgang of urinebuis. Een verminderde contractiekracht van de blaas kan ontstaan door medicatie, obstipatie, neurologische aandoeningen (diabetische neuropathie, ruggenmerglaesie) of chirurgische ingrepen in het kleine bekken. Maar een verminderde contractie hoort ook bij het ouder worden. Obstructie als oorzaak van een overloopblaas zien we vooral bij mannen met obstructieve LUTS-klachten (lower urinary tract symptoms of lagere-urinewegsymptomen). Bij vrouwen komt overloopcontinentie zelden voor, al kan deze optreden na een incontinentieoperatie, bij obstipatie of bij een zeer forse genitale prolaps. Indien de vrouw urine verliest door een fistel tussen vagina en blaas, bijvoorbeeld na een operatie in het kleine bekken, spreekt men van continue incontinentie.

Overige soorten urine-incontinentie

Bij mannen bij wie geen specifieke oorzaak voor urine-incontinentie kan worden gevonden, rekent men de incontinentie tot de aspecifieke mictieklachten.1 De urine-incontinentie gaat dan vaak samen met moeilijk op gang komen van het plassen, een slappe straal en nadruppelen. Als onwillekeurig urineverlies wordt veroorzaakt door factoren buiten de lagere urinewegen spreekt men van functionele incontinentie. Artrose, spierzwakte en handproblemen kunnen ouderen beletten zelf uit bed te komen, naar het toilet te gaan, de kleding los te maken en te gaan zitten om te plassen. Ook stoornissen in de communicatie en de cognitie kunnen tot functionele incontinentie leiden.

Voorkomen en spreekuurbezoek

Men schat dat één op de vier vrouwen jonger dan 65 jaar lijdt aan urine-incontinentie, van wie 7% dagelijks. Na het 65e jaar stijgt de prevalentie van 15 tot 30% bij zelfstandig wonende ouderen tot 50% bij bewoners in verzorgingshuizen en 90% bij bewoners in verpleeghuizen. Bij jongere vrouwen gaat het meestal om stressincontinentie, bij oudere vrouwen vaker om urgency en gemengde incontinentie.2-5 Bij mannen onder de 65 jaar is urine-incontinentie zeldzaam. Na het 65e levensjaar stijgt de prevalentie tot 9% bij zelfstandig wonende ouderen. De prevalentiecijfers bij oudere mannen in het verzorgings- of verpleeghuis lopen op tot 50%.2-5 Bij mannen gaat het vaker om urgency incontinentie. Minder dan de helft van de patiënten van 60 jaar en ouder met urine-incontinentie roept de hulp in van de huisarts.6 Een reden daarvoor is dat veel ouderen slecht geïnformeerd zijn over wat incontinentie is en wat je eraan kunt doen. Ze beschouwen de aandoening als iets wat hoort bij het ouder worden of (bij vrouwen) als een gevolg van kinderen krijgen. Ze verwachten vaak weinig van een behandeling en behelpen zich met opvangmaterialen. Bovendien kunnen andere problemen met de gezondheid die bedreigender zijn urine-incontinentie naar de achtergrond dringen.7 De psychologische gevolgen van urine-incontinentie kunnen zeer verschillend zijn. Uit onderzoek blijkt dat thuiswonende mannen ouder dan 60 jaar meer impact ervaren van het urineverlies dan vrouwen van deze leeftijd. Patiënten zijn vaak bang dat anderen het zien of ruiken.8 Mogelijk hangt dit samen met het feit dat slechts 10% van de thuiswonende mannen boven de 60 jaar incontinentiemateriaal gebruikt tegenover 87% van de vrouwen.9 Daarbij speelt ook dat mannen met incontinentie vaak bang zijn voor een prostaatcarcinoom. De grotere impact en de angst voor een onderliggende aandoening zorgen ervoor dat deze groep mannen sneller hulp zoekt bij de huisarts. Een opvallend fenomeen, omdat over het algemeen vrouwen sneller hulp vragen.

Pathofysiologie

Vrouwen ontwikkelen eerder stressincontinentie dan mannen. De bekkenbodem wordt bij de vrouw immers, behalve door de opening voor de anus, ook door de vaginaopening onderbroken en dat maakt de bekkenbodem kwetsbaarder.10 De bekkenbodem bij de vrouw wordt verder blootgesteld aan druk en oprekking tijdens de geboorte van een kind. Hierbij treedt er vaak schade op aan bindweefsel, spieren en zenuwen. Zowel bij mannen als vrouwen kan de bekkenbodem beschadigd raken door verhoogde belasting, bijvoorbeeld bij obesitas, chronisch hoesten, zoals bij COPD-patiënten, chronische obstipatie en zwaar lichamelijk werk. Daarnaast blijkt er een zekere erfelijke component mee te spelen en verminderen bij het ouder worden de doorbloeding en zenuwvoorziening van de bekkenbodem, waardoor de bekkenbodem slapper wordt. Hoewel bij mannen de bekkenbodem ook geleidelijk slapper wordt, krijgen zij zelden stressincontinentie, maar na een operatie van de prostaat, zoals een transurethrale resectie van de prostaat (TURP), is het risico hierop hoger.1 Tijdens deze ingreep kan het afsluitmechanisme van de blaas beschadigd raken. Naast het zwakker worden van de bekkenbodem, kan deze ook overactief zijn. Een overactieve bekkenbodem leidt er vaak toe dat de reflexmatige aanspanning tijdens bijvoorbeeld hoesten en persen achterwege blijft. Ook dit kan een reden zijn voor stressincontinentie.11 De oorzaak van overactiviteit is niet altijd te achterhalen, maar verkeerde plasgewoonten of vervelende seksuele ervaringen kunnen eraan ten grondslag liggen. Mannen ontwikkelen eerder urgency incontinentie dan vrouwen. De onderliggende oorzaak hiervoor is onbekend. Het lijkt mee te spelen dat de andere bouw van de bekkenbodem en de aanwezigheid van de prostaat maken dat mannen vaker obstructie van de blaasuitgang ontwikkelen. Obstructieve klachten verhogen de kans op onwillekeurige blaascontracties, soms door het ontstaan van een residu.

Anamnese

In 90% van de gevallen kan de huisarts op basis van de anamnese en het lichamelijk onderzoek de oorzaak van de urine-incontinentie vaststellen.12 Om het type urine-incontinentie vast te stellen, vraagt de huisarts of het urineverlies optreedt bij drukverhogende momenten (stressincontinentie), gepaard gaat met hevige en niet te onderdrukken aandrang (urgency incontinentie) of in beide situaties voorkomt (gemengde incontinentie). Min of meer continu verlies van urine is een belangrijke aanwijzing voor overloopincontinentie. Om een indruk te krijgen van de ernst van de incontinentie zijn de frequentie en hoeveelheid van het urineverlies (druppels, scheutje, hele plas) en het gebruik van incontinentiemateriaal van belang. De huisarts schat in wat de impact van het urineverlies is op het dagelijks leven. Soms kunnen onderliggende aandoeningen urine-incontinentie uitlokken of versterken.13 De huisarts vraagt daarom naar pijn bij het plassen of van het perineum (blaasontsteking of ontsteking van de prostaatklier), zichtbaar bloed in de urine (urineweginfectie of pathologie van de blaas), moeite met het uitplassen en nadruppelen (LUTS) en operaties/bestraling in het kleine bekken. Ook kan comorbiditeit een rol spelen, zoals COPD, astma, hartfalen, diabetes mellitus, chronische obstipatie, gewrichtsaandoeningen, visuele en cognitieve beperkingen. Tot slot vraagt de huisarts naar overmatig cafeïnegebruik, overmatige vochtintake en gebruik van bepaalde geneesmiddelen, zoals diuretica, spasmolytica, calciumantagonisten en anticholinergica.

Aanvullend en lichamelijk onderzoek

Bij het lichamelijk onderzoek kijkt de huisarts of er aandoeningen zijn die de klachten veroorzaken. Bij vermoeden van een urineweginfectie kijkt hij de urine na op tekenen van een infectie. Bij het onderzoek van het abdomen zijn littekens van chirurgische ingrepen, abnormale weerstanden, suprapubische drukpijn en een palpabele blaas van belang. Dit om eventuele tumoren in de onderbuik, in het kleine bekken of een retentieblaas uit te sluiten. Bij vrouwen let de huisarts bij inspectie van de bekkenbodem op (episiotomie)littekens, wijdte/symmetrie introïtus en de aanwezigheid van een verzakking. Een wijde introïtus duidt vaak op een zwakkere bekkenbodem en asymmetrie is vaak het gevolg van schade van de bekkenbodem door een bevalling. Bij het aanspannen van de bekkenbodem beweegt die neerwaarts als er sprake is van een slappe bekkenbodem. Normaal beweegt de bekkenbodem opwaarts en ventraal, bij hoesten en persen is dat reflexmatig.14 Bij het vaginaal toucher en speculumonderzoek let de huisarts op tekenen van een urogenitale prolaps. Bij mannen verricht hij een rectaal toucher. Daarbij let hij op symmetrie van de prostaat en de aanwezigheid van harde noduli en/of pijnlijkheid.1 Het eerste zou kunnen passen bij een prostaatcarcinoom en pijnlijkheid bij een ontsteking van de prostaatklier. Afwezigheid van beide sluit deze aandoeningen echter niet uit. De grootte van de prostaat is niet betrouwbaar te bepalen met een rectaaal toucher, alleen als de prostaat met > 50 cc vergroot is. Er is echter geen duidelijke relatie tussen het prostaatvolume en de plasklachten. De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat plasklachten bij mannen vaak verschillende oorzaken hebben.

Mictiedagboek

Een mictiedagboek is een van de belangrijkste onderdelen van de diagnostiek van urine-incontinentie.13 Het objectiveert de klachten en kan aanwijzingen geven over de oorzaak. Ook geeft het een maat voor de functionele blaascapaciteit (normale waarde 300 tot 600 ml) en de mictiefrequentie (normaal 6 tot 8 keer per etmaal). In het mictiedagboek noteert de patiënt het tijdstip en de hoeveelheid van de mictie (gemeten met een maatbekertje), het tijdstip en de hoeveelheid van het urineverlies (druppels, scheutje, hele plas) en bijkomende symptomen of omstandigheden. Bij twijfel over een residu kan echoscopie van de blaas na de mictie een oplossing zijn. Echografisch kan de hoeveelheid urine in de blaas heel nauwkeurig worden bepaald. Echoscopie heeft de voorkeur boven katheterisatie vanwege de kleinere kans op complicaties, zoals urineweginfecties.12,15 Bij vermoeden van urineretentie is het verstandig meteen te katheteriseren om de retentie zo snel mogelijk op te lossen.

Behandeling stressincontinentie bij vrouwen

Bekkenbodemspieroefeningen

Bij vrouwen met een minder ernstige vorm van stressincontinentie (minder dan één keer in de week ongewild urineverlies) zijn bekkenbodemspieroefeningen of het plaatsen van een pessarium de behandelingen van eerste keuze.11 Komt urineverlies alleen voor tijdens sporten, dan is een tampon dragen tijdens sporten een optie. Bekkenbodemspieroefeningen moeten meerdere keren per dag worden gedaan en minimaal twee à drie maanden worden volgehouden. Essentieel hierbij is dat de patiënte weet hoe zij de bekkenbodem moet aanspannen. De huisarts kan dit nagaan tijdens het lichamelijk onderzoek. Als het aanspannen niet lukt, is verwijzing naar de bekkenfysiotherapeut geïndiceerd. Zij heeft extra mogelijkheden om de patiënt daarin meer inzicht te geven. Als de vrouw weet hoe ze de bekkenbodem moet aanspannen, kan ook een daartoe opgeleide praktijkondersteuner, wijkverpleegkundige of fysiotherapeut instructies en begeleiding geven. Een goede begeleiding is van belang om te controleren of de patiënte de oefeningen goed uitvoert en om haar te stimuleren de oefeningen vol te houden. Het voordeel van oefenen is dat het niet-invasief is en geen bijwerkingen heeft. De helft van de vrouwen geneest na oefening en tweederde is tevreden over het effect. Om het effect te behouden, moet de patiënte de oefeningen blijven doen.

Pessarium

Het pessarium heeft als doel de urethra/blaashals te ondersteunen en kan worden ingezet onafhankelijk van het wel of niet zichtbaar zijn van een genitale prolaps. Het effect en de tevredenheid van patiënten is gelijk aan die bij bekkenbodemspieroefeningen. Reden om te stoppen zijn fluor, vaginale irritatie en onvoldoende effect. Er is weinig bekend over de effectiviteit van bekkenbodemspieroefeningen bij vrouwen met een genitale prolaps voorbij de hymenring. Daarom is bij vrouwen met stressincontinentie en een prolaps tot voorbij de hymenring de eerste keus de prolaps te behandelen met een pessarium. Bij onvoldoende effect van conservatieve behandeling kan de huisarts overwegen de vrouw te verwijzen voor een operatieve ingreep. Afhankelijk van de ernst van de klachten en eventuele prolapsklachten kan de ingreep bestaan uit het plaatsen van een midurethraal bandje, operatieve prolapscorrectie of beide.

Midurethaal bandje

Uit recent onderzoek is gebleken dat bij ernstige stressincontinentie (minimaal één keer per week urineverlies) een midurethraal bandje effectiever is dan bekkenbodemspieroefeningen.11 In samenspraak met de vrouw kan dan conservatieve behandeling worden overgeslagen. Ook als de conservatieve behandeling niet helpt, is een verwijzing voor een midurethraal bandje te overwegen. Het plaatsen van een midurethraal bandje ondersteunt de urethra, waardoor de blaas beter afsluit. De ingreep duurt ongeveer 30 minuten en vrouwen kunnen vaak dezelfde dag naar huis. Na een jaar is drie op de vier vrouwen genezen en bijna iedereen is tevreden. Na vijf jaar zijn deze getallen iets afgenomen. Nadelen zijn dat 6% van de vrouwen urgency incontinentie ontwikkelt, 6% urineretentie ontwikkelt (die vaak weer overgaat) en gemiddeld 2% opnieuw moet worden geopereerd vanwege de retentie of erosie van het bandje. In uitzonderlijke gevallen kan worden gekozen voor een andere operatietechniek, zoals de burchplastiek of injecties van bulkmaterialen, waarbij er vaak herhaalde injecties nodig zijn, omdat de effectiviteit in de loop van de tijd minder wordt.

Behandeling stressincontinentie bij mannen

Stressincontinentie bij mannen ontstaat vaak door een ingreep aan de prostaat. Uit onderzoeken komt naar voren dat bekkenbodemfysiotherapie waarschijnlijk weinig effect heeft. Als conservatieve behandeling niet helpt, wordt soms overgegaan op een ‘mannensling’ of een kunstsluitspier. Er is beperkt bewijs voor het effect hiervan.16

Behandeling urgency incontinentie

Blaastraining

Niet-medicamenteuze behandelingen zoals blaastraining verdienen de voorkeur als eerstelijnsbehandeling.11 Bij blaastraining krijgt de patiënt een mictieschema met als basisinterval de tijd die de voorafgaande dagen minimaal tussen twee plasmomenten zat. Dit is na te gaan met behulp van het mictiedagboek. De patiënt kan vervolgens zelf wekelijks het interval tussen twee micties met 15 tot 30 minuten uitstellen als de aandrang en het aantal incontinentie-episodes afnemen. In het begin is dit heel lastig. Om de mictie uit te stellen, moet de patiënt de bekkenbodem licht aanspannen, wat een remmende werking lijkt te hebben op onwillekeurige blaascontracties. Tevens is het belangrijk om ontspanning en afleiding te zoeken. De patiënt moet het oefenen twaalf weken volhouden, met tussendoor een evaluatie. Het voordeel van blaastraining is dat het niet-invasief is en dus geen bijwerkingen heeft. De patiënt moet wel dagelijks oefenen. Bij de meeste patiënten treedt verbetering op.

Bekkenfysiotherapeut

Is er sprake van een overactieve bekkenbodem, dan moet de patiënt de bekkenbodem leren ontspannen. Hiervoor kan de huisarts de patiënt het best verwijzen naar een bekkenfysiotherapeut.

Medicamenten

Als niet-medicamenteuze behandelingen onvoldoende effect hebben, kan de patiënt een proefbehandeling met anticholinergica proberen, bijvoorbeeld tolterodine. De effectiviteit van de medicamenten is echter vrij beperkt en de bijwerkingen, met name droge mond en obstipatie, zijn nogal eens reden om ermee te stoppen. Vooral bij ouderen bestaat er door de afgenomen blaascontractiliteit kans op urineretentie en kan er ook verwardheid ontstaan, met name bij patiënten die al cognitieve beperkingen hebben. Beoordeel het resultaat van deze behandeling in elk geval na twee weken. Het is aangetoond dat cafeïne de blaasinstabiliteit versterkt. Adviseer de patiënt daarom de inname van cafeïne te beperken. Sinds kort is er in Nederland een nieuw medicijn op de markt voor de behandeling van urgency incontinentie (mirabegron), die de onwillekeurige blaascontracties remt. Er is nog weinig ervaring opgedaan met dit middel en het is niet opgenomen in de NHG-Standaard Urine-incontinentie bij vrouwen. Bij mannen die behalve urgency incontinentie ook obstructieve klachten hebben, is een alfablokker te proberen (alfuzosine of tamsulosine).1 Als conservatieve of medicamenteuze behandeling niet voldoende resultaat heeft, is verwijzing naar de tweede lijn aan de orde. In de tweede lijn zal eerst een onderliggende behandelbare oorzaak worden uitgesloten, zoals een urinebuisvernauwing, een obstructie van de urinebuis door de prostaat of blaaspathologie. Als er geen duidelijke oorzaak wordt gevonden, zijn botoxinjecties in de blaas en sacrale neurostimulatie alternatieve behandelingsmogelijkheden. Beide ingrepen hebben echter maar beperkt resultaat en veel complicaties.

Behandeling gemengde incontinentie

Omdat bij gemengde incontinentie de urgency-component meestal het hinderlijkst is, start men de behandeling gewoonlijk met blaastraining en komen de bekkenbodemspieroefeningen daarna. Bij cognitieve stoornissen zal zo’n specifieke oefentherapie niet uitvoerbaar zijn. Voor deze patiënten blijkt het zinvol hen aan te leren bij aandrang meteen te gaan plassen en/of hen op vaste momenten naar het toilet te brengen, of er nu wel of geen aandrang is.17 Naast de specifieke behandeling van de incontinentie is het vooral bij ouderen van belang mogelijk uitlokkende factoren aan te pakken.13 Dat wil zeggen, sanering van de medicatie en behandeling van de eventueel aanwezige obstipatie, urineweginfectie of atrofische vaginitis. Zo nodig kan men de mobiliteit verbeteren met fysiotherapie of een loophulpmiddel, de inrichting van het toilet aanpassen of een postoel verstrekken. Kleding moet gemakkelijk los en dicht te maken zijn. Van groot belang is dat het toilet goed bereikbaar is en een goede hoogte heeft. Opvangmaterialen kunnen de handicap aanzienlijk verminderen en ook de bevuiling van kleding en meubilair voorkómen. Speciaal incontinentiemateriaal heeft daarbij de voorkeur, omdat het vocht en geur beter absorbeert dan maandverband of inlegkruisjes. Daardoor verbetert niet alleen het draagcomfort, maar neemt ook de kans op het ontstaan van huidproblemen af. Bij een BMI > 30 is het zinvol om af te vallen.22

Verbeterplannen

Incontinentie is vooral een probleem bij ouderen. In de toekomst zal het aantal ouderen alleen maar toenemen, dus ook het aantal mensen met incontinentie. Aandacht voor deze ontwikkeling is belangrijk, er valt genoeg te verbeteren. Incontinentie kost de maatschappij veel aan incontinentiemateriaal. De zorg in de eerste lijn kan beter. Slechts de helft van de mensen met incontinentie komt op het spreekuur, mede omdat zij niet goed op de hoogte zijn van de behandelingsmogelijkheden. Een campagne zou hieraan meer bekendheid kunnen geven. En als de patiënt al hulp zoekt, is die hulp vaak niet optimaal. Artsen schrijven te snel incontinentiemateriaal voor zonder dat er goede diagnostiek plaatsvindt en als er oefentherapie wordt gestart, ontbreek vaak goede begeleiding. Ouderen vinden behandeling door een fysiotherapeut dikwijls net een stap te ver. Afgelopen jaren is er een aantal onderzoeken gedaan waarbij de praktijkondersteuner-somatiek en de wijkverpleegkundige werden geschoold in het begeleiden van patiënten met urine-incontinentie.18,19 Beide interventies bleken effectief. Het voordeel van de praktijkondersteuner-somatiek is bovendien dat ze al veel patiënten kent en dat ze patiënten begeleidt met diabetes mellitus en COPD, bij wie incontinentie vaak voorkomt. In de eerste lijn houden ook (bekken)fysiotherapeuten, ceasar- en mensendiecktherapeuten zich bezig met urine-incontinentie. Deze activiteiten kunnen regionaal veel beter op elkaar afgestemd worden. Recent is er een onderzoek verricht onder thuiswonende vrouwen boven de 55 jaar die werden gescreend op urine-incontinentie. Bij urine-incontinentie kreeg de vrouw diagnostiek en behandeling aangeboden of werd zij ingedeeld in de controlegroep. Na een jaar rapporteerde 34% van de vrouwen in de interventiegroep een verbetering van de ernst van de incontinentie en slechts 17% van de vrouwen in de controlegroep. Deze interventie bleek kosteneffectief. Een vorm van screening met daaraan gekoppeld een behandeling lijkt dus zinvol.20 Een andere manier van behandelen is e-health. E-health is sterk in opkomst en 7 dagen per week 24 uur per etmaal beschikbaar. E-health biedt ook de mogelijkheid vrouwen eraan te herinneren dat ze moeten oefenen. In Zweden is er een website ontwikkeld voor de behandeling van vrouwen met stressincontinentie.20,21 Bij 70% van de vrouwen die werden begeleid via deze website was de urine-incontinentie na drie maanden genezen of was er een verbetering van het aantal incontinentiemomenten met meer dan 50%. Van de vrouwen ervoer 85% de behandeling als goed tot zeer goed. Een andere organisatie van de incontinentiezorg is in de toekomst noodzakelijk om het grote aantal patiënten iets te kunnen bieden.

Conclusie

Urine-incontinentie is een veelvoorkomend probleem. In de eerste lijn heeft het pessarium bij vrouwen een prominente plaats gekregen bij de behandeling van stressincontinentie. Bij ernstige stressincontinentie is in overleg met de vrouw te overwegen conservatieve behandeling over te slaan en direct te kiezen voor een midurethraal bandje. Bij mannen wordt incontinentie steeds meer gezien als een onderdeel van aspecifieke mictieklachten met veel verschillende oorzaken. De afgelopen jaren zijn er nieuwe initiatieven geweest om de incontinentiezorg te verbeteren, zoals het betrekken van wijkverpleegkundige en praktijkondersteuner bij de incontinentiezorg, ouderen screenen op incontinentie en e-health. Dat is een hoopvolle ontwikkeling.

  1. 1. Blanker MH, Breed SA, Van der Heide WK, Norg RJC, De Vries A, Wolters RJ, et al. NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen. Huisarts Wet 2013;56:114-22.
  2. 2. Brocklehurst JC. Urinary incontinence in old age: Helping the general practitioner to make a diagnosis. Gerontology 1990;36 (Suppl 2):3-7.
  3. 3. Lagro-Janssen T, Teunissen D. Urine-incontinentie op oudere leeftijd. Huisarts Wet 2009;52:674-8.
  4. 4. Valk M. Urinary incontinence in psychogeriatry nursing home patients: Prevalence and determinants [proefschrift]. Utrecht: Universiteit Utrecht, 1999.
  5. 5. Teunissen TAM, Van den Bosch WJHM, Van den Hoogen HJM, Lagro-Janssen ALM. Prevalentie van incontinentie voor urine en ontlasting bij zelfstandig wonende ouderen in Nijmegen, januari 1999-juli 2001. Ned Tijdschr Geneeskd 2006;150:2430-4.
  6. 6. Teunissen TAM, Van Weel C, Lagro-Janssen ALM. Urine-incontinentie bij zelfstandig wonende ouderen. Wie zoekt er hulp bij de huisarts? Huisarts Wet 2007;50:4-10.
  7. 7. Dekker JH. Uit de luiers: incontinentie voor urine bij ouderen. Bijblijven 2006;22:45-51.
  8. 8. Teunissen D, Van den Bosch W, Van Weel C, Lagro-Janssen T. ‘It can always happen’: the impact of urinary incontinence on elderly men and women. Scand J Prim Health Care 2006;24:166-73.
  9. 9. Teunissen TAM, Lagro-Janssen ALM. Sex differences in the use of absorbent (incontinence) pads in independently living elderly people: do men receive less care? Int J Clin Pract 2009;63:837-8.
  10. 10. Vierhout ME. Ad fundum; tot op de bekkenbodem en daaronder [inaugurele rede]. Nijmegen: Radboud Universiteit Nijmegen, 2005.
  11. 11. Teunissen D, Dekker JH, Lagro-Janssen ALM, Berghmans LCM, Uijen JHJM, Mientjes GHC, et al. NHG-Standaard Incontinentie voor urine bij vrouwen (tweede herziening). Huisarts Wet 2015;58:368-75.
  12. 12. Fantl JA, Newman DK, Colling J, DeLancey JOL, Keeys C, Loughery R, et al. Urinary incontinence in adults: acute and chronic management. Clinical Practice Guideline No. 2. Rockville (MD): Agency for Health Care Policy and Research, 1996 (AHCPR Publication No. 96-0682).
  13. 13. Teunissen TAM, Dekker JH, Lagro-Janssen ALM. Problemen van de bekkenbodem bij de oudere vrouw: prolaps en urine-incontinentie. Bijblijven 2011;27:7-16.
  14. 14. Bernards A, Berghmans L, Van Heeswijk-Faase I, Westerik-Verschuuren IE, et al. KNGF-richtlijn Stress (urine-)incontinentie. Ned Tijdschr Fysiother 2011;121(Suppl):3.
  15. 15. Resnick NM. Noninvasive diagnosis of the patient with complex incontinence. Gerontology 1990;36(Suppl 2):8-18.
  16. 16. NICE. The management of lower urinary tract symptoms in men. Londen: National Clinical Guideline Centre, 2010.
  17. 17. Van Houten P, Achterberg W, Ribbe M. Urinary incontinence in disabled elderly women: a randomized clinical trial on the effect of training mobility and toileting skills to achieve independent toileting. Gerontology 2007;53:205-10.
  18. 18. Teunissen TAM, Stegeman M, Bor H, Lagro-Janssen ALM. Treatment by a nurse practitioner in primary care improves the severity and impact of urinary incontinence in women. An observational study. BMC Urol 2015;15:51.
  19. 19. Albers-Heitner P, Berghmans B, Joore M, Lagro-Janssen T, Severens J, Nieman F, et al. The effect of involving a nurse practitioner in primary care for adult patients with urinary incontinence: the PromoCon study (PromotingContinence). BMC Health Serv Res 2008;8:84.
  20. 20. Visser E, Dekker JH, Vermeulen KM, Messelink EJ, Schram AJ, Berger MY, De Bock GH. The effect of systematic screening of older women for urinary incontinence on treatment uptake: the URINO trial. Maturitas 2013;4:334-40.
  21. 21. Sjöström M, Umefjord G, Stenlund H, Carlbring P, Andersson G, Samuelsson E. Internet-based treatment of stress urinary incontinence: a randomised controlled study with focus on pelvic floor muscle training. BJU Int 2013;112:362-72.
  22. 22. CBO. Richtlijn Urine-incontinentie bij vrouwen. Utrecht: CBO, 2013. www.diliguide.nl/document/692/file/pdf/.

Dit artikel:

Interactief

  • Reageer
  • Lees reacties
  • Stuur door
  • Bewaar
  • Print
  • Mail mij de reacties
  • Voeg artikel toe aan: